Het én-én fabeltje

Eind 2015 staken de Vlaams Brabantse burgemeesters hun nek uit om te pleiten voor een oplossing voor de files in hun regio. In een themawerkgroep mobiliteit maken ze zich terecht zorgen over de mobiliteitstoekomst van Vlaams-Brabant. Ze pleiten voor een veelheid van maatregelen, maar wie wat aandachtiger leest merkt vooral het geloof in het bekende én-én fabeltje op. Iets waar ook het Vlaamse mobiliteitsbeleid al jaren last van heeft.  

Meer asfalt voor de Brusselse Ring

Tegen de logica van het STOP principe in, start hun pleidooi met wat ze het belangrijkste lijken te vinden: maatregelen voor de auto. Hierbij warmen ze de plannen van de vorige Vlaamse regering voor de aanpassing van de Noorderring opnieuw op. In de communicatie wordt het mooi voorgesteld als het scheiden van het doorgaand en het plaatselijk verkeer. Het valt zelfs op dat men de term ‘verbreding van de ring’ haast niet meer uitspreekt. Men heeft het over een bescheiden optimalisatie ten voordele van de verkeersveiligheid.

De werkelijkheid is echter anders. Men wil de Brusselse Ring ten noorden van Brussel flink verbreden tot 2 maal 5 rijstroken en blijft dus geloven dat meer asfalt de files zal verminderen. Tijdelijk zal dit misschien wel kloppen, maar lang zal het feestje niet duren. Als men even over de grens gaat kijken in Nederland, waar de voorbije jaren vele snelwegen voorzien werden van extra rijstroken, dan stelt men daar vast dat de files na een tijdelijke daling alweer toenemen. Er zijn nu nog meer auto’s, nog meer vervuiling, fijn stof, CO2-uitstoot en andere milieunadelen. En als men de verbreding van de Ring wil aangrijpen om controversiële en onnodige megaprojecten à la Uplace of Neo te faciliteren, zijn de burgemeesters wel helemaal verkeerd bezig. Hun eigen commerciële kernen zullen verder leeglopen en de stadscentra onaantrekkelijk maken. Dus meer rijstroken zijn geen oplossing maar de voorbode van nieuwe problemen.

Voor iedereen wat

Naast deze opvallende oproep om nu maar eens werk te maken van deze ‘upgrade’, hebben de burgemeesters nog andere autofaciliterende en dure ingrepen op hun wensenlijstje. De omvorming van de A12 tot snelweg of aansluitingen van de Ring op grote verkeersassen zoals de N6, de N8 en de N9, wat dit ook moge betekenen. Of spitsstroken (meer asfalt dus) en slimme verkeerslichten (voor auto’s). Allemaal maatregelen die alleen maar een omgekeerd effect zullen hebben van wat men wil bereiken zijnde een Vlaams-Brabant in beweging. De ondertunneling van een deel van de E429 in Halle is naast de verhoopte betere doorstroming nog het enige project die ook de leefkwaliteit van de omwonenden ten goede kan komen. Alleen is ook deze overkapping, net als deze in Antwerpen, flink prijzig en dus nog niet voor meteen.

Jpeg

Kenmerkend voor een én-én verhaal, is er natuurlijk ook een tweede én. Daarin wordt gelukkig gepleit voor de prioritaire fietssnelwegen op verschillende assen naar Brussel. Helemaal terecht, want de plannen van het FietsGen dateren ook alweer van jaren geleden, maar van de uitvoering is nog maar weinig in huis gekomen. Vlaams-Brabant is zowat de meest fietsonvriendelijke provincie van het land en alleen met enkele fietssnelwegen zullen we de mensen niet op de fiets krijgen. Een uitgebreid netwerk van lokale en veilige fietswegen is evenzeer nodig. Het zou alvast een investering met een veel hogere rendabiliteit en een veel positiever effect hebben voor de leefkwaliteit, gezondheid en mobiliteit van de bewoners van deze drukke provincie. Ben Weyts ontvouwde vorig weekend nog zijn plannen voor het verbeteren van de fietsinfrastructuur. Hij heeft het dan zowaar over de aanleg van VIER! fietspaden voor de ganse provincie Vlaams-Brabant, oftewel een ‘riante’ investering van 700.000 EUR. Daarmee denkt hij de Vlaming van de Brusselse Rand massaal te kunnen verleiden om de comfortabele auto in te ruilen voor de fiets. Waarschijnlijk zal deze daar dan ook volop op ingaan. Niet dus.

Waarom klopt het én-én fabeltje nog meer niet?  

Er zijn heel wat redenen waarom dit verhaal de beloften niet zal inlossen. De eerste is ‘GELD’. In deze tijden van krappe budgettaire ruimte voor de overheid is er gewoon niet genoeg geld om te investeren in al deze dure autoprojecten én tegelijk aanzienlijk te investeren in fietsinfrastructuur en openbaar vervoer. Zeker niet omdat de auto, die door hun zeer sterke lobby steevast tot melkkoe wordt uitgeroepen, lang niet al de kosten dekt die hij met zich meebrengt. Denken we maar aan de subsidiëring van de salariswagens, de milieukosten, de infrastructuurkosten voor aanleg en onderhoud, (één kapotte tunnel in Brussel oplappen kost al tientallen miljoenen) en tenslotte de kosten van alle verkeersslachtoffers en meebrengende ellende. Al jaren wordt er gesproken van slim rekeningrijden, maar ‘daar is te weinig draagvlak voor’. Tja, dan maar de kosten afwentelen op de ganse maatschappij.

Een tweede belangrijke reden waarom het én-en verhaal geen steek houdt, is de steeds beperktere openbare ruimte die er in ons land overblijft. Auto’s staan voor 95% van de tijd stil en hebben dus allemaal parkeerruimte nodig, in het beste geval niet op de openbare weg. Ons wegennet is nu al het dichtste van Europa. Nog meer schaarse ruimte opofferen is dus gewoon geen optie. In de steden wordt steeds duidelijker dat elke weggebruiker zijn deel van de ruimte opeist en dat de auto de grootste slokop is. Onze wegen zitten overvol met auto’s met gemiddeld 1,1 persoon erin. Vreemd dat iedereen dit normaal vindt, terwijl er oeverloos wordt geklaagd over de vele lege bussen die er, vooral in het weekend dan, rondrijden.

En dan zijn er uiteraard nog de gekende maar schijnbaar onbelangrijke milieuaspecten. Er schijnt ergens in de wereld een klein klimaatprobleem te zijn, jaarlijks sterven in ons land duizenden mensen aan de vervuiling die voor een groot deel te wijten is aan de uitstoot van het vervoer en transport. Blijkbaar ligt niemand daar wakker van.

Om het verhaal dan nog verder af te maken, kan iedereen die een beetje logisch kan nadenken wel bedenken dat de overstap van de auto naar minder of niet-belastende vormen van mobiliteit, zijnde het openbaar vervoer en de fiets, nooit kan bereikt worden zolang men de rode loper voor de auto blijft uitrollen. Ik sprak onlangs twee collega’s van mij die dagelijks met de auto naar hun werk in Brussel komen, terwijl de trein even goed een optie voor hen zou zijn. Ze kiezen voor de auto omdat het met de files al bij al nogal meevalt en omdat ze liever in de fauteuil van hun salariswagen naar de radio luisteren dan te moeten rechtstaan op een volle trein. Het verder faciliteren van de auto met peperdure investeringen in nieuwe of bredere wegen ten koste van investeringen in openbaar vervoer en fiets is meer dan collateral damage van het ‘niet kiezen’. Het is nefast en doordat de overheid geen keuzes maakt, zullen de burgers dat ook niet doen en automatisch de auto blijven nemen, zoals ze dat nu eenmaal gewoon zijn.  Waardoor de roep op nog meer én-én niet lang op zich zal laten wachten.